
Dhrupad
is de oudste vorm van Noord-Indiase klassieke muziek en
ontstaan uit het reciteren van de heilige klank OM en de
Vedische sutra’s. Dhrupad is door de eeuwen heen zowel
vocaal als instrumentaal uitgevoerd door mannelijke tempelzangers
en later door musici aan de Noord-Indiase hoven. Na de Indiase
onafhankelijkheid in 1947, toen de talrijke koninkrijkjes
plaats maakten voor de huidige democratie, is er veel van
deze muzikale traditie verloren gegaan. De studie van Dhrupad
is zeer tijdsintensief en wordt volgens traditie altijd
mondeling overgedragen van meester aan leerling. Het is
een ingetogen, meditatieve muziekstijl, die zich langzaam
ontwikkeld heeft tot een complexe en uitdagende muziekvorm.
Ook in de 21e eeuw heeft Dhrupad nog niets aan artistieke
en spirituele expressie ingeboet. Hoewel het een krachtige
muziekvorm betreft nodigt het beoefenen en/of beluisteren
ervan musici en publiek uit tot verstilling en contemplatie.

Een
uitvoering van Dhrupad begint met een geïmproviseerd
gedeelte, waarbij een uit meditatieve lettergrepen samengestelde
raga zich langzaam ontvouwt op de begeleidende grondtonen
van de viersnarige Tanpura. Dit stuk, de alap, bestaat uit
drie delen. Het eerste deel is zonder vast ritme, het tweede
deel heeft een langzaam ritme en het laatste deel kent een
zeer snel ritme. Tijdens de alap wordt de muzikale vorm
noot voor noot opgebouwd. Na de alap volgt een compositie
waarbij de zanger in samenspel met een pakhawaj, een liggende
drum, zingt over de liefde, de natuur, de filosofie, het
Hindoeïsme of Soefisme. De composities die we nu kennen
werden veelal in de 16e eeuw of later geschreven. Er bestaan
vele verschillende raga’s die allemaal een eigen karakteristieke
sfeer en betekenis hebben.

Ustad
Z.F. Dagar
|